Het tweede deel van de christelijke bijbel. Een testament is een verbond, en de eerste christenen wilden een duidelijk onderscheid maken tussen het Oude verbond (dat van God met de mensheid, via Noach en Mozes) en het Nieuwe (dat van Jezus met de mensheid). In zijn tweede brief aan de Korinthiërs maakt Paulus voor het eerst gewag van de term Oude Testament (2 Kor. 3:14). In het evangelie van Mattheüs wordt de term Nieuwe Testament geïntroduceerd, tijdens het Laatste Avondmaal (Matth. 26:28). Het Nieuwe Testament handelt -kortweg- over leven en leer van Jezus, een joodse leraar/profeet met revolutionaire ideeën die waarschijnlijk in de eerste decennia van de eerste eeuw leefde. Zie het artikel in de Wikipedia voor meer informatie over Jezus Christus. Het Nieuwe Testament is geheel in het Grieks overgeleverd. In de inleiding tot het Nieuwe Testament in de oorspronkelijke editie van de Statenvertaling wordt aan de hand van tientallen passages getoond hoe in het Oude Testament al voorspeld wordt wat in het Nieuwe Testament beschreven wordt.

Bronnen

De belangrijkste nog bestaande handschriften van het NT dateren uit de vierde eeuw: de Codex Vaticanus en de Codex Sinaïticus. Het oudste bekende christelijke handschrift bevat een paar verzen uit Johannes; het gaat om een stukje papyrus dat gedateerd wordt op ca. 130 n.C. en dat zich thans in Manchester bevindt. Het ontbreken van originele handschriften van de evangelies zegt trouwens niets over de authenticiteit ervan. Ook van veel bekende klassieke Griekse werken bestaan geen oorspronkelijke versies meer, maar enkel kopieën, die vaak eeuwen jonger zijn. De Codex Sinaïticus wordt tegenwoordig algemeen beschouwd als de meest oorspronkelijke, complete versie van het NT. De tekst werd voor de wetenschap ontdekt door de Duitse theoloog Von Tischendorf (1815-1874) tijdens zijn bezoeken aan het Catharinaklooster op de berg Sinaï. Hoogstwaarschijnlijk werd die versie van het NT samengesteld door geleerden in Alexandrië, in de vierde eeuw. Die tekst was dus nog niet beschikbaar toen de Statenvertalers aan de slag gingen! Zij werkten met de zgn. textus receptus: een gebundelde Griekse tekst, die op een aantal punten afweek van de waarschijnlijk authentiekere tekst uit de vierde eeuw. Zie bij Marcus en Johannes voor enkele voorbeelden van verschillen. De textus receptus waar de Statenvertalers mee werkten was samengesteld door Erasmus, die tussen 1516 en 1535 vijf edities had gepubliceerd, met telkens minder (druk)fouten. Erasmus verzamelde diverse Griekse handschriften en had bovendien toegang tot de belangrijkste bibliotheken van die tijd, waaronder de pauselijke bibliotheek waar de Codex Vaticanus werd bewaard. Erasmus concludeerde echter dat de Vaticanus allerlei vervalsingen bevatte — waarmee hij en passant de rooms-katholieke standaardbijbel, de Vulgaat, als waardeloos classificeerde. Op het Concilie van Trente, waar de Vulgaat in 1546 als standaard werd aangewezen, werd Erasmus' tekst tot verboden literatuur bestempeld.

Datering

De evangeliën dateren waarschijnlijk uit de periode van 60 tot 100 na Christus — oftewel minimaal 30 jaar na de dood van Jezus1. Voor historici is dat een groot gat dat de waarheidsgetrouwheid niet ten goede komt. Er zijn overigens wel aanwijzingen dat er al eerder christelijke geschriften bestonden, waarop zou zijn voortgeborduurd. De brieven van Paulus, voorzover echt, dateren uit de periode tussen ca. 50 en ca. 60. De evangeliën zijn dus geschreven nadat Paulus zijn ideeën over de leer van Jezus uiteen had gezet en nadat hij christelijke gemeenten had gesticht.

Indeling

De boeken van het Nieuwe Testament worden net als die van het Oude Testament soort bij soort geordend, en dus niet naar ouderdom. Eerst de vier evangeliën, waarin het leven en de leer van Jezus beschreven worden, en de Handelingen der apostelen. Daarna een reeks brieven: eerst die van Paulus aan christelijke gemeenschappen en leerlingen, vervolgens de anonieme brief aan de Hebreeën en tot slot een serie algemene brieven, d.w.z. gericht aan niemand in het bijzonder maar aan de gehele Kerk. Het laatste deel bestaat uit één boek, de moeilijk te begrijpen Openbaring van Johannes. Overigens heeft het eeuwen geduurd voordat 'men' het eens was over welke boeken wel en welke niet geïnspireerd zouden zijn door de Heilige Geest. 'Men' betekent hier zowel de geestelijke als de wereldlijke bestuurders; de laatsten hadden baat bij een hiërarchisch georganiseerde kerk die één leer uitdroeg, een leer die geen ruimte liet aan de varianten waar het vroege christendom rijk aan was. Tegen het eind van de tweede eeuw bestond er consensus over de vier evangeliën, de Handelingen en de brieven van Paulus; twee eeuwen later was men in de westerse kerk tot de huidige selectie gekomen, die in de twaalfde eeuw werd verdeeld over 27 boeken. De felle discussie over de canon het Nieuwe Testament heeft ervoor gezorgd dat 'afvallers' snel uit beeld geraakten. De apocriefen van het NT zijn dan ook veel minder bekend dan die van het Oude Testament; ze werden niet gebundeld met de canonieke geschriften. Het bekendste is wellicht het Thomasevangelie; andere 'afvallers' zijn onder meer de Herder van Hermas, de Brief van Barnabas